Skip to content

Filmfabriek Hollandia – een nationale grootmacht

Op 18 mei 1912 werd in Haarlem de Maatschappij voor Wetenschappelijke Cinematografie opgericht. Directeur was D. de Clerq. Maurits H. Binger, de grote man achter de nieuwe maatschappij, werd gedelegeerd commissaris. Het bedrijf wilde zich bezighouden met de productie van documentaires.

Als tegenhanger werd gelijktijdig de Maatschappij voor Artistieke Cinematografie opgericht. Deze produceerde fictiefilms. In mei 1913 fuseerden beide maatschappijen tot de Maatschappij voor Wetenschappelijke en Artistieke Cinematografie, in 1914 hernoemd tot Filmfabriek Hollandia.

Still uit Artiestenzomerfeest (NL, Onbekend, 1916)

Bescheiden begonnen met grote ambities

Hollandia zou uitgroeien tot de belangrijkste speelfilmproducent in de periode voor de Tweede Wereldoorlog. Gelet op het aantal films werd het bedrijf zelfs de grootste producent uit de Nederlandse filmgeschiedenis.

In de eerste jaren - 1913-1914 - maakte Hollandia echter voornamelijk nog korte documentaires, onder andere bestemd voor schoolkinderen. In een interview uit 1916 vertelde Binger dat toenmalige discussies over het nut van film voor het onderwijs hem hadden geïnspireerd tot het oprichten van zijn eigen filmmaatschappij.

Bingers heimelijke ambitie was echter het maken van fictiefilms. Voor deze films nam hij in 1913 een vaste groep acteurs en actrices in dienst. Deze bracht hij samen in het theatergezelschap Hollandia Tooneel, dat ook optrad in schouwburgen. Binger produceerde zijn eerste korte speelfilms met dit gezelschap, onder regie van de bekende toneelregisseur en -acteur Louis H. Chrispijn. Steractrice in deze films was Annie Bos.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog begonnen Hollandia’s productiefste jaren. In nog geen vijf jaar maakte de maatschappij meer dan dertig lange speelfilms. De meeste daarvan waren opgenomen in Hollandia’s eigen filmatelier en op buitens van bevriende industriëlen rondom Haarlem. Binger regisseerde de meeste films, waarin naast Annie Bos grote namen optraden als Adelqui Migliar, Willem van der Veer, Lola Cornero, Paula de Waart en Jan van Dommelen.

Succes zonder opbrengst

Aanvankelijk hadden de films een typisch Hollandse uitstraling, net als de korte films die voor de oorlog waren gemaakt. Voorbeelden zijn Majoor Frans – naar een boek van A.L.G. Bosboom-Toussaint – en Het geheim van Delft. Na verloop van tijd kreeg Binger echter een steeds grotere voorkeur voor de wat mondainere drama's.

De films waren redelijk succesvol, maar brachten relatief weinig op. Dit kwam voornamelijk doordat per film zelden meer dan één kopie in roulatie werd gebracht. De distributie werd niet door Hollandia zelf gedaan maar door Cinema Palace en HAP, die zelf de winst uit de verhuur opstreken.

Na de oorlog bleef de gehoopte internationale doorbraak uit. Net als veel andere Europese maatschappijen had Hollandia te maken met de sterke opkomst van Amerikaanse films en grote productiemaatschappijen die de wereldmarkt zouden domineren. Voor kleinere bedrijven als Hollandia kwam steeds minder ruimte.

Einde van een idylle

In een poging het tij te keren ging Binger een verbintenis aan met de Engelse filmhandelaar Harry R. Smith. Samen zouden zij films produceren voor de Engelse markt. De samenwerking bleek echter het begin van het einde voor Hollandia.

Tot op dat moment was Hollandia een soort familiebedrijf geweest met een vaste groep medewerkers – acteurs, actrices, cameramensen, technici, productiemedewerkers – en Binger als 'pater familias' aan het hoofd. De komst van de Engelsen maakte een einde aan deze idylle. De ziel was uit het bedrijf, vooral toen veel acteurs en actrices de wacht werd aangezegd. Ze mochten hooguit nog opdraven in een bijrol.

Zelfs voor Annie Bos viel het doek. De actrice werd afgeserveerd als 'te oud' en Binger liet haar zonder tegensputteren gaan, een houding die Bos hem jarenlang heeft kwalijk genomen.

De Brit B.E. Doxat-Pratt werd aangetrokken als regisseur. Hij verfilmde scenario’s, gebaseerd op Engelse society plays, met uit Groot-Brittannië overgekomen acteurs. Zowel in Nederland als Groot-Brittannië werden deze films matig ontvangen. Binger ruilde Smith in voor de distributeur A.G. Granger, maar het pleit was beslecht. Ondanks een incidenteel succes ging Anglo-Hollandia-film – de nieuwe naam van de alliantie – in augustus 1923 failliet, slechts enkele maanden na de vroegtijdige dood van Maurits Binger.

Astronomische investeringen

Met het faillissement van Hollandia verdween Nederlands grootste filmmaatschappij, die door de jaren heen welhaast het synoniem was geworden van de Nederlandse speelfilmproductie rond de Eerste Wereldoorlog.

Hoewel Hollandia niet Nederlands enige producent was, heeft het bedrijf wel zijn stempel gedrukt op deze periode, vooral dankzij de niet aflatende inspanning van Maurits Binger. Net als Franz Anton Nöggerath jr. een paar jaar voor hem jaagde hij de droom na zijn eigen films te maken.

Deze droom heeft Binger meer dan anderhalf miljoen gulden gekost, zo becijferde W.H. Idzerda enige jaren later in het 'Nieuw Weekblad voor de Cinematografie' – een astronomisch bedrag voor die tijd. In hetzelfde artikel betoogde Idzerda dat het misschien allemaal anders was gelopen als Binger dit vermogen had aangewend om een degelijk productieplan uit te werken. In plaats daarvan was het geld grotendeels opgegaan aan het dichten van financiële gaten na onverantwoorde projecten. Maar zonder Binger, en zijn kapitaal, was Hollandia nooit zover gekomen.