De zomer van ’36

De première van De Jantjes markeerde een kortstondige opleving in de Nederlandse speelfilmproductie. Deze zeer succesvolle film was gebaseerd op een populair Jordaanstuk en had bekende revuesterren in de hoofdrollen. Ongeveer 1,2 miljoen mensen kochten een kaartje, waarmee de film de bestbezochte film in het vooroorlogse Nederland werd.

Het succes spoorde andere filmmakers aan het voorbeeld te volgen. Binnen ruim twee jaar verschenen verschillende films met dezelfde formule als De Jantjes: kluchtige, soms wat platte verhalen die zich veelal afspelen in het milieu van arbeiders of kleine handelaars. De films, vol liedjes en bekende sterren, werden bijna allemaal opgenomen in de Cinetone Studio’s te Duivendrecht.

Formulefilms

Het tij keerde zich echter al snel tegen deze Nederlandse formulefilms. Was de pers nog positief over de kwaliteit van De Jantjes en mild over de tekortkomingen van deze eerste film, op de opvolgers werd minder verdraagzaam gereageerd. Fouten werden feilloos blootgelegd en magere verhaaltjes stuk voor stuk afgewezen. De kritiek gold vooral de producenten en financiers, die geldelijk gewin boven artistieke of inhoudelijke kwaliteit hadden geplaatst.

De critici verdedigden hun houding met de opmerking dat het mede hun taak was de Nederlandse film naar een hoger niveau te brengen. Volgens hen werden zij juist daarom geacht extra kritisch naar de behaalde resultaten te kijken. Slechts een enkele film vond in hun ogen nog genade. Onder deze uitzonderingen bevonden zich Op hoop van zegen, Dood water, De kribbebijter en Jonge harten.

Dalende bezoekcijfers

Niet alleen de pers stond kritisch tegenover de Nederlandse film. Ook het publiek voor deze films nam af. En dat terwijl de films het vooral moesten hebben van de belangstelling en revenuen uit eigen land – vanwege de taalbarrière was doorverkoop naar het buitenland niet aan de orde. Om uit de kosten te komen had een gemiddelde speelfilm driekwart miljoen bezoekers nodig (op een totale Nederlandse bevolking van bijna negen miljoen inwoners).

Productiecrisis

Door de kritiek en slechte bezoekcijfers werden steeds minder films geproduceerd. Lag het gemiddelde tussen 1934 en 1936 nog op tien films per jaar, in de zomer van 1936 sloeg de crisis toe.

Veel aangekondigde films vonden geen doorgang en de films die wel in productie werden genomen leden onder de financiële druk. Zo veroorzaakte Komedie om geld bijna het faillissement van Tuschinski's bioscoopimperium en werd Zomerzotheid nooit afgemaakt.

Ook het slechte weer in de zomer van 1936 speelde de filmmakers parten: vanwege de regen moesten de opnamen van Barnstijns Merijntje Gijzen’s jeugd geregeld worden onderbroken.
Als resultaat van de crisis kwamen de filmstudio’s in Duivendrecht en Wassenaar leeg te staan. Barnstijn was zelfs genoodzaakt zijn Filmstad tijdelijk te sluiten en het personeel te ontslaan. Vanaf 1937 nam de productie van Nederlandse films drastisch af.

Artistieke vooruitgang

Artistiek ging de Nederlandse film wél sterk vooruit. Producent Rudolf Meyer en regisseur Ludwig Berger maakten een aantal zeer succesvolle speelfilms van hoge artistieke kwaliteit: romantische komedies als Pygmalion en Vadertje Langbeen, gevolgd door de serieuzere drama’s Morgen gaat het beter! en Ergens in Nederland. Lily Bouwmeester speelde de hoofdrol in deze films en vestigde daarmee haar naam als dé Nederlandse filmster uit het interbellum.

foto's

meer informatie

Op zoek naar meer materiaal uit onze collectie? Neem dan contact op met:

Mevr. Leenke Ripmeester
sales@eyefilm.nl
tel. 020 5891 426
mob. 06-41189635

steun EYE

Steun EYE en help ons erfgoed veilig te stellen voor de toekomst. Meer informatie