Ideële vertoners

‘…we rijden naar een herberg iets verder, de auto zakt bijna weg in een modderpoel, we bouwen alles weer op, proefdraaien. Dan is het tijd en om half acht begint de tweede voorstelling. Een vijftig boerenmenschen vullen het lokaaltje. Het scherm hangt in een bedstee.’

In de winter van 1925/1926 hield de socialist Jef Last een filmtournee door Friesland, Groningen en Drenthe. Hij reed in zijn ‘roode auto’ door het noorden van Nederland om arbeiders en boeren  ‘opbouwende’ films te tonen. Dat deed hij niet in de officiële bioscopen, maar in herbergen, scholen en verenigingsgebouwen.

Deze provisorische filmzaaltjes waren een bewuste keuze. In de ogen van Last werden de officiële bioscopen slechts gedreven door winstbejag. Volgens hem waren het ontaarde plaatsen waar bezoekers willoos overgeleverd waren aan ‘de prikkelingen opgewekt door de meest grove voorstellingen’. Ze vormden niet de juiste omgeving voor zijn opbouwende en opvoedende films.

Instituut voor Arbeidersontwikkeling

Last was als chauffeur-operateur-explicateur in dienst bij het Instituut voor Arbeidersontwikkeling (IVAO). Het socialistische instituut zette vanaf 1925 een cultureel ontwikkelingsoffensief in om mensen in aanraking te brengen met films ‘waaraan wij kunnen zien welke artistieke mogelijkheden de filmkunst biedt, films die daarom een ieder, dus vooral ook de tegenstander van de bioscope behooren te zien’.

Het IVAO liet ook andere films zien dan socialistische propagandawerken als Het pinksterfeest van de AJC of de film over de Frankfurtse Arbeiter Olympiade in 1925. Zo vertoonde het instituut bedrijfsfilms (onder andere van Philips), ontwikkelingsfilms (over de visserij en het leven in Zuid-Limburg), voorlichtingsfilms (over de schadelijke gevolgen van alcohol) en speelfilms (Pantserkruiser Potemkin, Storm over Azië en La passion de Jeanne d’Arc).

De filmkeuze werd eerder ingegeven door een burgerlijk dan een marxistisch ideaal en de ontwikkelingsmissie was meer gericht tegen de afstompende, zinnenprikkelende bioscoopcultuur dan vóór de socialistische heilstaat. In het seizoen 1927/1928 gaf het IVAO 309 voorstellingen en trok het 78.000 bezoekers.

Bijna zo erg als bordelen

Het IVAO koos niet als enige voor een alternatief circuit. De veroordeling van de bioscoopcultuur liep als een gemeenschappelijk puriteins lint door socialistische, katholieke, protestante en liberale groeperingen. Zowel communisten, katholieken als liberalen weken voor hun filmprogramma uit naar niet-commerciële zaaltjes.

De afkeer was het grootst bij de calvinisten. Volgens hen waren bioscopen ‘bijna net zo erg als bordelen’ – films en filmtheaters zouden een bedreiging voor het geestelijk en zedelijk welzijn zijn.

In 1934 werd de algemene beeldhuiver echter aan de kant gezet en de Nederlandsche Christelijke Filmcentrale (NCF) opgericht. Het doel was de verspreiding van het christelijk woord met beeld te ondersteunen.  Films en vertoningsplekken werden door de organisatie streng gecensureerd, zendingshuizen en werkverschaffingskampen waren geliefde locaties.

Het meest besteld bij de NCF was de door Multifilm geproduceerde film over de Vrije Universiteit. In 1938 produceerde de NCF een speelfilm: De laatste dagen van een eiland, onder regie van Ernst Winar. De première vond plaats op 16 december 1938 in een klein, niet-commercieel zaaltje.

foto's

meer informatie

Op zoek naar meer materiaal uit onze collectie? Neem dan contact op met:

Mevr. Leenke Ripmeester
sales@eyefilm.nl
tel. 020 5891 426
mob. 06-41189635

steun EYE

Steun EYE en help ons erfgoed veilig te stellen voor de toekomst. Meer informatie