Eye wint AICA-Oorkonde 2019 voor tentoonstellingen op grens van film en beeldende kunst

Joke de Wolf, voorzitter bestuur AICA-Nederland tijdens presentatie oorkonde 2019 aan Eye Filmmuseum (foto: Andreas Schöfl)

30 oktober 2019

Eye heeft de AICA-Oorkonde 2019 gewonnen. Volgens de leden van de Nederlandse afdeling van AICA (Association Internationale des Critiques d'Art) heeft Eye zich op een bijzondere manier onderscheiden op het gebied van beeldende kunst in de jaren 2016, 2017 en 2018.

AICA kent jaarlijks afwisselend een Oorkonde toe aan een Nederlandse publicatie, een tentoonstelling en een instelling. Eye Filmmuseum heeft op 28 oktober de AICA-Oorkonde 2019 gewonnen. Uit het juryrapport:

Eye Filmmuseum viel de jury op vanwege de brede aanpak op het grensgebied van film en beeldende kunst. Een grote nieuwsgierigheid naar deze kruisbestuiving resulteert in een uniek en aantrekkelijk tentoonstellingsbeleid met steeds een rijk gevuld en uitdagend publiek programma. De Eye Art & Film Prize, opgericht in 2015, onderstreept het commitment aan dit grensgebied." (...)

“We nomineerden Eye Filmmuseum voor de manier waarop het oude Filmmuseum zich opnieuw heeft uitgevonden via deze verbreding naar kunstenaarsvideo’s en kunstenaarsfilms, en vanwege de zorg voor het behoud van deze vergankelijke media. Zowel aan jong talent als aan grote namen uit de wereld van film en beeldende kunst wordt aandacht besteed en het museum trekt continu een breed publiek. Niet in de laatste plaats vanwege het aantrekkelijke en herkenbare gebouw, dat ook ruime erkenning in het buitenland krijgt." (...)

“De kwaliteit waarmee dit alles wordt gepresenteerd wordt ook door de kunstenaars zelf sterk gewaardeerd en leidde er onder meer toe dat William Kentridge zijn installatie 10 Drawings for Projection aan Eye schonk.”

Sandra den Hamer, directeur van Eye, zei in haar dankwoord:

Het is een enorme eer om deze prijs te krijgen. Toen we in 2012 open gingen zeiden we: eindelijk heeft de film in Nederland het museum dat het verdient. De film als jongste en meest dynamische van alle kunsten heeft een echt museum nodig. Tegelijkertijd stelden we onszelf de vraag: hoe stellen we film tentoon? We wisten wat we niet wilden. We wilden in plaats van brieven en objecten juist het bewegend beeld centraal stellen. Zoals onze curator en Director of Exhibitions Jaap Guldemond zegt: "We maken geen tentoonstelling óver iets maar ván iets.”

Over de AICA-Oorkonde

Elk jaar benoemt het AICA-bestuur een driekoppige jury voor de shortlist van de Oorkonde. Dit jaar bestond die jury uit Saskia Bos, curator en voormalig directeur van de Appel en ex-Dean Cooper Union, New York; Antje von Graevenitz, kunstcriticus en emeritus hoogleraar kunstgeschiedenis, en Roos van der Lint, kunstredacteur van De Groene Amsterdammer. Zij deden drie nominaties: naast Eye Filmmuseum in Amsterdam droegen zij ook West in Den Haag en De Pont museum in Tilburg voor als mogelijke winnaars. Vervolgens werd de stemming gehouden onder de 170 leden van AICA-Nederland: kunstcritici, universiteitsdocenten, conservatoren en onafhankelijke tentoonstellingscuratoren. Eye won met 45,5 procent van de stemmen.

Kijk hier de uitreiking terug.

Lees het juryrapport

Juryrapport AICA Oorkonde 2019

Drie keer kwamen we bij elkaar om drie nominaties te bepalen: de jury van de AICA-Oorkonde 2019, categorie lnstellingen, had van het bestuur een mooie opgave gekregen. Allereerst waren er de criteria van AICA­Nederland die aan het begrip 'instelling' een brede invulling gaven. Naast musea of presentatie-instellingen, konden ook fondsen, ondersteunende organisaties, onderwijsinstellingen, werkplaatsen en kunstenaarsinitiatieven in aanmerking komen. Tijdens onze bijeenkomsten rekten we dit gebied nog wat verder op. Konden we bijvoorbeeld ook een gemeente nomineren, of een uitgeverij? Moesten we een onderscheid ma ken tussen publieke en private musea? En als we dachten aan fondsen, wat waardeerden we dan aan een publiek, en wat aan een privaat fonds?

Al discussiërend wandelden we in gedachten door het kunstenlandschap van Nederland, de periode 2016 t/m 2018. We gingen van een longlist naar zeven voorstellen, toen naar vijf en kozen er tenslotte drie: West Den Haag, museum De Pont in Tilburg, en Eye Filmmuseum.

Alledrie hebben ze steeds consequent gewerkt en een spannend, cultureel en kunsthistorisch relevant program­ma getoond. Ook na jaren herinnert men zich hun presentaties.

Ze bevinden zich in verschillende delen van ons land, zijn op landelijk en op lokaal niveau van belang en hebben een bijzondere uitstraling. Het zijn drie instellingen die hun nek uitsteken, of dat nu betekent het aangaan van experiment of een betrouwbare partner zijn voor de kunst.

De keuze van de AICA-leden is gevallen op Eye Filmmuseum.

Het Eye Filmmuseum viel de jury op vanwege de brede aanpak op het grensgebied van film en beeldende kunst. Een grote nieuwsgierigheid naar deze kruisbestuiving resulteert in een uniek en aantrekkelijk tentoonstellings­beleid met steeds een rijk gevuld en uitdagend publiek programma. De Eye Art & Film Prize, opgericht in 2015, onderstreept het commitment aan dit grensgebied. Het leverde mooie en diverse winnaars onder wie Ben Rivers (2016), Wang Bing (2017), Francis Alÿs (2018) en recent Meriem Bennani (2019).

We nomineerden het Eye Filmmuseum voor de manier waarop het oude Filmmuseum zich opnieuw heeft uit­gevonden via deze verbreding naar kunstenaarsvideo's- en kunstenaarsfilms, en vanwege de zorg voor het behoud van deze vergankelijke media. Zowel aan jong talent als aan grote namen uit de wereld van film en beeldende kunst wordt aandacht besteed en het museum trekt continu een breed publiek. Niet in de laatste plaats vanwege het aantrekkelijke en herkenbare gebouw, dat ook ruime erkenning in het buitenland krijgt. De educatie-afdeling met de interactieve collectie is inventief opgezet en de winkel biedt een grote variëteit aan filmgerelateerde producten.

Eye heeft zich in de afgelopen periode in het tentoonstellingsbeleid ook geconcentreerd op de bioscoopfilm en het vinden van nieuwe presentatievormen daarvoor. In het jury-overleg was de 'gender-parity' bij de retro­spectieven een punt van discussie. Maar voor de ongelijke verdeling tussen aantallen mannen en vrouwen is wellicht een reden: onder de goate cinema-regisseurs, die in Eye allereerst zijn getoond, zijn vrouwen in de minderheid. Toch waren ze in andere tentoonstellingen wel degelijk vertegenwoordigd: in 2018 werd Hito Steyerl getoond als eerste winnaar van de Eye Art & Film Prize, in 2017 Rosa Barba en Tacita Dean in de tentoonstelling 'Celluloid', in 2016 Melanie Bojano, Helen Dowly, Mariska de Groot, en Janis Rafa in de tentoonstelling 'Close Up'. Ook zoekt het museum bewust wereldwijd naar hedendaags talent, getuige de aandacht voor o.m. Ryoji Ikeda, Apichatpong Weerasethakul, en Cao Guimaraes.

De kwaliteit waarmee dit alles wordt gepresenteerd wordt ook door de kunstenaars zelf sterk gewaardeerd en leidde er onder meer toe dat William Kentridge zijn installatie 10 Drawings for Projection aan Eye schonk.

Het Eye Filmmuseum kwam bij de verkiezing op de eerste plek met 45,5 % van de stemmen. Enkele leden gaven ook commentaar: ze gaven aan er geweldige tentoonstellingen te hebben gezien. Een Engels sprekend lid schreef: "This museum has definitely made film alive and relevant". Een ander AICA-lid sch reef: "De integratie van film, fotografie, animatie en beeldende kunst wordt door Eye op voorbeeldige wijze gepresenteerd. Eye Filmmuseum is een aanvulling op het museumaanbod in Amsterdam, omdat het beschikt over de perfecte outillage voor het vertonen van filmisch werk, waar traditionele museumruimtes veel minder geschikt voor zijn. Inhoudelijk is het programma van hoog niveau."

De jury is blij met deze reacties en is zeer verheugd met de keuze van de leden om Eye Filmmuseum de AICA Oorkonde 2019 toe te kennen.

Namens het bestuur van AICA-Nederland

Association Internationale des Critiques d'Art

De jury: Saskia Bos, Antje von Graevenitz, Roos van der Lint

Amsterdam, 28 oktober 2019

Lees de laudatio

Haaks op de horizon

door Basje Boer

Bekijk je kunst in een zwarte doos of in een witte kubus?

Laat je het licht ruim over het werk vallen? Of bundel je het licht, om het in via één punt breed uit te laten waaieren?

Neemt het kunstwerk je mee naar binnen, naar de gedachten en de beleving van één persoon?

Of neemt het je mee naar buiten? Is het zo weids als de horizon? Omvat het heel de wereld? Is het zo breed als het leden? Zo lang als de geschiedenis? Reikt het zelfs voorbij het nu?

 

De gedachte overvalt me wel eens. Het is een gedachte in de vorm van een vraag. Wat gebeurt er, vraag ik me af, wanneer je de deur naar een filmzaal opendoet, wanneer je een plekje zoekt, wanneer het licht uitgaat en je je overgeeft aan het verhaal dat zich aftekent in licht. Wat gebeurt er precies?

Ik zit vooraan: eerste rij, in het midden. Ik duld geen hoofdjes voor me. Maar ik heb het publiek wel nodig. De gedeelde focus. De aanwezigheid van lichamen, ergens achter me in het donker. Die hoofdjes – allemaal dezelfde kant op gericht; figuurlijk, letterlijk. Een woord dat soms aan lippen ontsnapt. Een zucht, een snik. Een gedeelde lach.

Rewind. Je doet de deur naar de filmzaal open. Je zoekt een plekje: eerste rij, in het midden. Het licht gaat uit, je geeft je over. Er zit een paradox verstopt in de bioscoopervaring, maar ik krijg mijn vinger er niet helemaal achter. Wat gebeurt er precies?

De zaal, het donker. Het verhaal dat binnen een tijdsduur van honderdtwintig minuten past, binnen de afmetingen van het doek. Er zijn de openingstitels en de end credits: kop, midden, staart. Er is de stilte en de stillness, de bewegingsloosheid. Er zijn regels, er is iets overzichtelijks en opgeruimds aan de bioscoopervaring. Er is een beperking waar we ons graag naar voegen, want binnen die beperking is het makkelijker om je te over te geven.

En dan – de wereld die opengaat. Op dat doek, binnen de beperking van die afmetingen, ontvouwt zich het verhaal van één of dat van velen, een verhaal dat je mee naar binnen of mee naar buiten neemt, dat zo weids is als de horizon, dat heel de wereld omvat, dat zo breed als het heden en zo lang als de geschiedenis is, dat zelfs voorbij het nu reikt.

Film maakt alles plat, letterlijk – en tegelijkertijd gooit film alles open.

 

Rewind. Zoom uit. God-shot op al die hoofdjes die dezelfde kant op gericht zijn – op mij. Maandagmiddag. Interior, Eye. Filmtheater, filmmuseum, verzameling trefzekere lijnen aan het IJ. Geen plek in Amsterdam, of in Nederland, of kijk maar hoe ver je uitzoomt, weet de paradox van film zo interessant zichtbaar te maken. Het binnen en buiten zijn. Het platte en het ruimtelijke. Het ongrijpbare en het concrete. De afspraken en het grenzeloze.

Een stukje terug nog. Rewind. Voordat je de deur naar de filmzaal opendoet, is er die verzameling lijnen aan het water. Die markante tekening aan de horizon. Je bestijgt een van die lijnen, de lijn neemt je mee naar binnen, of je volgt hem om het gebouw heen. Op de een of andere manier is er geen onderscheid tussen buiten en binnen, binnen en buiten. Het dak steekt een stukje uit en maakt het buiten binnen. Het uitzicht is overal gelijk. De boten koersen op tafelhoogte.

Rewind. Je doet de deur naar de filmzaal open. Wacht. Spoel terug. Je neemt een andere lijn, de trap naar boven. Je kiest een andere zaal, een ander donker. Een andere focus, een andere lijn om langs te kijken. En wat gebeurt hier dan? Waar geef je je hier aan over?

De tentoonstellingsruimte houdt zich niet aan de afspraken die het medium film heeft afgedwongen. Deze ruimte, deze zaal, deze verdieping, dit donker, breekt alle regels, herdefinieert ze, stelt ze aan de orde. Hak een film in stukjes. Dien ‘m op in nieuw servies. Maak hem kleiner, groter, geef hem meer dimensies, of minder, trek de boel open, haal alles binnenstebuiten. Binnen en buiten.

Natuurlijk zijn die afspraken er wel. De afspraak van verhoudingen bijvoorbeeld, gedicteerd door muren en oppervlakken. Maar in dit donker gebeurt iets – iets anders, iets onvoorspelbaars, iets opwindends – dat verschilt van wat er gebeurt in het donker van de filmzalen. Er worden andere vragen gesteld.

 

Hier wordt de blik zwart/wit en de weg onverhard. Hongarije wordt weerspiegeld in de gladde vloeren tijdens Béla Tarrs Till the End of the World. Ik herinner me de houten tafel, in het midden van de ruimte, oplichtend in gebundeld geel licht. De enige kleur in heel de tentoonstelling. Ik herinner me de eenzaamheid van die ene kleur. De laatste kleur aan het einde van het bestaan.

De meer traditionele tentoonstellingen, de tentoonstellingen gewijd aan een enkele filmmaker, aan een enkel oeuvre, zoomen in en dan weer uit. De blik gaat naar voren, naar de wanden en de schermen, en dan weer naar beneden, naar de tafels, waar ieder object, ieder document, iedere foto met omkrullende hoekjes met de grootste zorg en aandacht is neergevlijd. Maar de blik doet meer. Er zijn inkijkjes en doorkijkjes. Om-de-hoek-kijkjes. De blik verzamelt een beeld bij elkaar dat niet plat is, maar gelaagd. De blik kruist en kaatst en gaat via de ene ruimte naar de andere, waar weer een nieuwe laag aan het kijken wordt toegevoegd.

De rol van het lichaam in het werk van Martin Scorsese. De mannenlijven: krachtig of verzwakt. Tot symbool gemaakt aan het kruis. Tot pulp geslagen in de ring. Groter dan levensgroot geprojecteerd, vereerd – het is niet moeilijk er de verafgoding van het katholicisme in te zien.

Antonioni’s gestileerde existentialisme, op een heel andere manier monumentaal. Statig en ongenaakbaar. Het evenwicht van het beeld contrasteert met de wankele binnenwereld van de personages.

De breekbare poëzie van Alex Warmerdam. De rijkdom van de tentoonstellingen rond Stanley Kubrick en David Cronenberg. De breedte van Kubrick – alle genres, vele decennia – en de diepte van Cronenberg, die dezelfde ideeën en fascinaties steeds in een ander verhaal en andere beelden vat.

De beeldend kunstenaars dan, die film oprekken, uitgummen, opnieuw vormgeven, opnieuw uitvinden om door te geven aan volgende generaties kijkers, makers, uitvinders. En, daarnaast, de beeldend kunstenaars die juist naar het verleden kijken. Die de wetten van het medium juist handhaven omdat film, een massamedium, een taal is die we allemaal spreken. Die taal kun je gebruiken, om nieuwe verhalen te vertellen.

De optocht die William Kentridge door ruimte laat trekken.

De geesten van Apichatpong Weerasethakul die de ruimte vullen, ongrijpbaar als het licht uit de projector, maar nog diffuser.

De wieken van een helikopter die loom en dreigend schaduwen maken op het doek, in A Tale of Hidden Histories, een tere en aangrijpende tentoonstelling waarin nationale trauma’s worden blootgelegd, vaak door de constructie van het werk en het medium zelf te laten zien.

Cinema Remake, vijf jaar eerder, een tentoonstelling waarin films worden geabstraheerd, soms tot niet meer dan kleur.

Oskar Fischinger, een jaar dáárvoor, wiens abstractie juist vrij is van een concept, vrij van een verhaal. Dit is film teruggebracht tot het allerkleinste, tot zijn meest basale vorm, zijn wezen. Vorm. Licht. Contrast. Beweging.

 

Wat de tentoonstellingen in Eye doen, allemaal op hun eigen manier, en op steeds weer een ándere manier, is het medium film deconstrueren. Ze laten de achterkant zien. Ze laten de onderdelen zien. Ze vervlakken en onttoveren het, en maken het daarmee juist rijker, gelaagder, magischer.

Hier, in dit donker, wordt er meer van je gevraagd dan in dat andere donker, het donker van de filmzaal. Je moet meedoen, meedenken. Zelf de vraagtekens zetten. Of ze wegnemen. Zelf het narratief, een gemankeerd narratief, bij elkaar scharrelen. De open plekken invullen. En dan is er nog het fysieke element. Je zit niet achterover, je kan niet op standby – lopen moet je, bewegen door de ruimte. Keuzes maken – rechts of links?

 

Rewind naar een woord: deconstructie. Want dat is iets interessants. Niet alleen in de tentoonstellingsruimte wordt het medium film gedeconstrueerd, heel Eye spant samen om het medium te ontleden, en het in brokken op te dienen. Wat ik bedoel te zeggen is dat een lezing zo’n brok is, een inleiding voorafgaand aan een film, een tweegesprek achteraf. Een conferentie. Een concert. Een publicatie is een brok. De museumwinkel is een brok. Als ik nou echt in een lyrische bui ben, dan zijn de boten die langs de lijn van de horizon voorbijtrekken een brok. En al die brokken stellen dezelfde vraag: wat is dat, film?

Is het belangrijk om die vraag te stellen? Wat is film? Wat doet film? Wat zegt film? Wat gebeurt er, waar geef je je aan over? Moet Eye, een filmmuseum, een filmarchief, die vragen wel stellen? Moet Eye wel deconstrueren, opdelen in brokken? Is de essentie van dit instituut niet behoud?

Ik kan eindeloos vragen blijven stellen; nu ga ik een antwoord geven. Wat Eye laat zien is dat behoud juist schuilt in deconstructie. Dat bewaren alleen niet genoeg is. Dat je de vragen nodig hebt. Dat geschiedenis nooit op zichzelf kan staan, maar altijd het nu en de toekomst nodig heeft, en omgekeerd, en dat het stellen van vragen, meer dan het beantwoorden ervan, de manier is om geschiedenis, heden en toekomst aan elkaar te knopen.

 

Gaan we weer, terug naar de openingsscène. Exterior, Eye. Langs de lijnen, haaks op de horizon, klimt deze protagonist naar boven. Interior, Eye. Trap naar boven, meer lijnen die kruisen en haken, die elkaar tegenspreken en harmonieus samengaan. Hand op de deurklink. De deur gaat open. Deze protagonist stapt het donker in. En geeft zich over.