Homo Sapiens: over de verpletterende aanwezige afwezigheid van de mens

17 juni 2020

De thuiskijktip van Mila Schlingemann, Hoofd Programma van Eye: Homo Sapiens van de Oostenrijkse filmmaker Nikolaus Geyrhalter, de intrigerende film uit 2016 waarin de mens totaal afwezig is. Nu zien we meteen parallellen met de beelden die bij de huidige pandemie horen.

In de eerste beelden van de film Homo Sapiens van Nikolaus Geyrhalter zien we opeenvolgend verschillende close-ups van mozaïeken. Onduidelijk is waar we zijn, wanneer, met wie, en waarom. Dan zien we dat de kleine steentjes beeltenissen vormen van mannen en vrouwen, afzonderlijk, met elkaar en met hun kinderen. Dan zien we een rode ster, hamers en sikkels, en de monsterlijk grote, gedeeltelijk beschadigde, maar toch nog goed herkenbare, portretten van Lenin en Marx, alles in mozaïek.

Goed, een Communistisch bouwwerk, maar kennelijk niet meer in gebruik. Maar waarom krijgen we deze details te zien, met welk doel? Voor wie van een onderhoudend narratief houdt, met een duidelijk plot, is deze film niet de beste keus. Maar wie zelf graag nadenkt en verrast wil worden zal niet ontevreden zijn.

Wanneer we een totaalbeeld krijgen, bevinden we ons in een gigantische ruimte die in vorm nog het meest doet denken aan de binnenkant van een ruimteschip. Van veraf vormen de ingelegde tegeltjes geen beelden meer en zien we vooral nog hoe de kleuren en patronen in elkaar overlopen. Zonder enige vorm van uitleg in tekst of beeld verplaatsen we ons van dit buitenaardse schip naar een duidelijk andere omgeving met zachtere zand en steentinten. We zien een aantal fietsen in fietsenrek met een klein golfplaten afdakje erboven. Ook hier komt het water met bakken uit de lucht. Dan, in dezelfde omgeving, een verlaten treinstationnetje, een verlaten supermarkt met de inhoud van de schappen grotendeels verspreid over de grond. Het lijkt erop alsof mensen hier in een paar seconden moesten vertrekken. Alleen de Japanse teksten op bordjes bij een verlaten bushalte doen sterk vermoeden dat dit Fukushima moet zijn.

apocalyptisch

Wie Homo Sapiens toevallig onlangs voor het eerst zag, zal meteen de parallellen zien met de beelden die bij de huidige pandemie horen. De associatie met de apocalyptische, desolate beelden van de afgelopen paar maanden is zo treffend dat je de maker bijna een profetische gave zou toedichten. Terwijl het Covid-19-virus zich de afgelopen maanden rap onder grote delen van de wereld verspreidde, zijn ogenschijnlijk verlaten miljoenensteden vastgelegd. We zagen het ondenkbare; een totaal verlaten Times Square in New York, lege voedsel- en kledingmarkten in Bangkok, een bewegingloos Alexanderplatz in Berlijn, kale trappen voor het Opera House in Sydney, uitgestorven wijken in Beijing waar normaliter een bruisend nachtleven aan de gang is, een nog nauwelijks herkenbaar strand van Santa Monica in Los Angeles zonder de gewoonlijke mensenmassa’s. We zagen metrostations zonder reizigers, gesloten bioscopen, theaters en musea. Onze wereld die in zo’n korte tijd onherkenbaar veranderde en waarin de leegte zich even snel leek te verspreiden als het virus, deed opeens angstaanjagend veel denken aan deze intrigerende film.

welvaartsresten

Deze ‘‘bekende onbekende’ beelden van (post)industrieel erfgoed en welvaartsresten’, zoals Dana Linssen ze zo mooi verwoordt in haar recensie van Homo Sapiens in de Filmkrant, zouden we misschien al kunnen kennen van zogenaamde 'urban exploring' fotografie en -kunstprojecten. Maar in deze anderhalf uur durende film zonder dialoog of voice-over gebeurt er dankzij zijn zorgvuldig geconstrueerde sounddesign en de 'beweging' die in elke dystopische ‘foto’ lijkt te zitten iets wezenlijks anders.

In Homo Sapiens zien we lege klaslokalen, zwembaden, ziekenhuizen met röntgenapparatuur van decennia geleden, winkelcentra met reuzengrote roze natgeregende knuffels en afgebladderde hobbelpaardjes, uitgebrande nachtclubs, verroeste en met planten overwoekerde zwembaden, kantoren met overal papier en omgevallen archiefkasten, vertrekhallen en lege vliegtuigen, een gigantische hoop autoschroot in een grot, vergane theaters, bioscopen en operazalen met scheef hangende kroonluchters. Maar terwijl de statische shots, deze wonderlijke, meditatieve en tegelijk verontrustende stillevens elkaar in een traag tempo opvolgen, horen we geen enkel ‘menselijk’ geluid. Geen gesprekken, geen spelende kinderen, geen deuren die open of dichtgaan, geen auto’s die buiten starten.

ruimte voor ander leven

Wat we wel horen is de natuur. Met haar auditieve geweld van klaterende, spoelende en sijpelende regen, hevige onweersbuien, de wind die door de verlaten kantoorgangen raast, de oorverdovende krekels, kwakende kikkers, hard zingende vogels, en druk rondzoemende insecten, lijkt het alsof de natuur in Homo Sapiens ons op het hart wil drukken dat, nu we eindelijk vertrokken zijn, er weer ruimte is voor ander leven. Het enige geluid dat herinnert aan het bestaan van 'homo sapiens' is dat van objecten die gemaakt zijn door mensen maar nu slechts bewogen worden door de wind. Zelfs hier heeft de natuur de controle over herwonnen. Klapperende luxaflex, omrollende plastic bekertjes, papier dat opwaait, of het gepiep en gekraak van deuren, luiken, hanglampen of de uit het plafond hangende watersproeiers voor het verdwenen vee.

De scènes lijken uit een lockdown die niet is opgeheven. Waarin de maatregelen alleen maar verscherpt werden in plaats van versoepeld, en waarin mensen maanden, jaren, decennia binnen hebben geleefd totdat ze er uiteindelijk simpelweg niet meer waren. Een pandemie die de aarde van zijn menselijke diersoort heeft verlost.

Hoewel de regisseur zelf niets wil weten van de term documentaire, wat hij een ’onnodige categorisatie’, noemt, bestaat Homo Sapiens louter uit echt bestaande locaties van over de hele wereld. Het langzame, meditatieve tempo van de beelden, het cinematografische ritme dat doet denken aan de abstractie van een gedicht en het minutieus uitgewerkte en door de makers zelfgecreëerde (!) ’natuurlijke’ sounddesign, stelt de kijker bijzonder goed in staat om de levens en verhalen, van degenen die hier ooit waren, zich voor te stellen.

speeltuin

Met de vertelkracht van deze beelden lijkt Geyrhalter niet louter kritiek te willen geven. Niet zonder reden vernoemde hij zowel ironisch als liefdevol zijn film naar de mens terwijl er de hele film geen mens te zien. Juist wanneer de mens zoals in Geyrhalters film zelf niet te zien of te horen is, is ze meer aanwezig dan ooit. Want in Homo Sapiens is er niet één beeld dat geen verhaal vertelt. Met elke nieuwe omgeving die Geyrhalter ons laat zien, ontvouwen zich als vanzelf talloze levens.

De peuter die snel zelf van het glijbaantje zoeft als zijn moeder haar hoofd omdraait om haar buurvrouw te groeten, de familie die op zondag op de harde, houten bankjes tegen elkaar aanschuift voor de mis, de DJ die door het knappe meisje aan de draaitafel wordt overgehaald om na de show mee naar huis te gaan. De achtergelaten plekken hebben niet alleen maar iets donkers of iets triviaals. Ze laten ook zien dat er vreugde moet zijn geweest en dat mensen kunnen voortbestaan op plekken waar ze samenkomen, een gemeenschap vormen en waar liefde, blijdschap en troost wordt gegeven en ontvangen.

Maar even ongenadig als vergevend, zoals de tijd die verstrijkt waarin niets hetzelfde blijft, dringen zich de gebeurtenissen op die voor een exodus gezorgd moet hebben.

In de speeltuin dwarrelen de radioactieve deeltjes neer op de speeltoestellen, geen van de mensen leefde nog langer dan drie weken. De familie heeft haar woongemeenschap hals over kop moeten verlaten nadat een nieuw dictatoriaal regime het land ‘zuiverde’ van andersgelovigen. De DJ en het meisje hebben nooit geweten hoe de nacht samen zou verlopen, want luttele momenten nadat de zwarte doeken aan het plafond in brand waren gevlogen, werd de muziek overstemd door gegil, vulde de ruimte zich met rook, en stonk het er naar verbrand plastic en vlees.

bescheidenheid

De beelden uit Homo Sapiens wijzen ons daarom ook bovenal op de vergankelijkheid. We zijn hier niet voor altijd en we zijn maar een klein onderdeel van het geheel. Ook al gedraagt onze soort zich alsof ze het alleenrecht heeft op de wereld met al haar rijkdom en schoonheid. In Homo Sapiens zien we een wereld waar de mens al lang verdwenen is, waar alleen nog de laatste sporen te zien zijn van een levensvorm die ooit heeft moeten bestaan en de natuur in al zijn evolutionaire daadkracht gewoon door groeit, golft, spoelt, kwettert, tikt en ratelt. Er komt, zo lijkt de film ons te willen zeggen, een moment dat het ook voor ons stopt. De vraag is alleen hoe snel, en wat we nog kunnen doen om het te vertragen.

Zoals filosoof Slavoj Žižek in een reeks corona-gerelateerde artikelen in de Groene Amsterdammer zijn eigen dankzij de lockdown verworven inzicht verwoordde:

Het besef dat de mens een kwetsbaar en mogelijk tijdelijk verschijnsel is in het geheel der dingen. De primitiefste levensvorm op aarde, het virus, heeft de meest ontwikkelde levensvorm, de mens, uitgekozen als vehikel voor zijn vermeerdering, meer niet, en vermag daarbij aan de mensheid een einde te maken. Dat noopt ons tot daadkracht, maar ook tot bescheidenheid over onze plaats in het geheel der dingen.”

En net als in Homo Sapiens geeft de directe, fysieke áfwezigheid van de mens ons een moment van reflectie. Voor het eerst in decennia was er geen ruis, geen afleiding en waren er geen prikkels. Voor het eerst stond ons leven even stil en keken en luisterden we misschien enkele maanden wat aandachtiger. Naar de mens, hoe destructief ze is, en hoe nietig tegelijk.

Mila Schlingemann is Hoofd Programma van Eye

Homo Sapiens
Een film van Nikolaus Geyrhalter
2016, 94 min. Te zien op Amazon en iTunes.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in het magazine 'Reflecties op samenleven in coronatijd' van het Instituut voor Persoonlijke-,Relatie- en Organisatie Ontwikkeling (IPRO).