Eye Filmmuseum is temporarily closed

As a result of the measures to combat the coronavirus, Eye Filmmuseum is temporarily closed. Terrace Eye Bar Restaurant and Eye Shop are open.

Read more
Close
Eye Filmmuseum seen across the river IJ © Marcus Koppen
Eye Filmmuseum, © Marcus Koppen

Kermisvermaak

Bewaren is vóór de Tweede Wereldoorlog in de filmwereld een onbekend woord. Film is een wegwerpartikel. Als het publiek uitgekeken is op een film, wordt hij vernietigd. Niemand mist oude films, want alles draait om nieuwe. Film is kermisvermaak, vluchtig amusement. Het besef dat films cultureel erfgoed zijn, ontbreekt niet alleen in Nederland, maar overal in de internationale filmwereld. Pas in de jaren dertig verandert dat. Langzaam breekt het inzicht door dat films cultureel waardevol zijn en dus belangrijk om te bewaren. In 1936 wordt in Parijs een filmmuseum opgericht (La Cinémathèque française), twee jaar later volgt België met de Cinematek in Brussel.

Filmverzamelaar

Kort na de Tweede Wereldoorlog is het in Nederland ook zover. Ex-verzetsman Piet Meerburg, die na de oorlog de Amsterdamse studentenbioscoop Kriterion oprichtte, en Paul Kijzer, filmproducent en -distributeur, richten met David van Staveren, de ex-voorzitter van de Filmkeuring, in 1946 het Nederlands Historisch Film Archief op (NHFA).

Het doel is het verzamelen van kunstzinnig waardevolle films. Voor ‘gewone’ amusementsfilms heeft men (nog) geen oog, zulke films hoeven van hen niet bewaard te worden. Verwoed filmverzamelaar Jan de Vaal heeft als secretaris, en vanaf 1948 als directeur, de dagelijkse leiding. Het filmarchief huurt een kamertje in de P.C. Hooftstraat in Amsterdam. Een jaar later biedt Meerburg een kleine ruimte (‘de bezemkast’) in Kriterion als onderkomen aan.

Lange Mars

Vanuit ‘de bezemkast’ begint De Vaal aan een lange mars langs instituties en overheden om het Nederlands Historisch Film Archief een serieuze plek te geven in het Nederlandse culturele landschap. Het is een tragikomisch verhaal van kleine stappen voor- en achteruit en veel frustraties om het ontbreken van een geschikt onderkomen. De Vaal richt zich op collectievorming. Hij verzamelt avant-gardefilms uit de jaren twintig en dertig, waaronder de films die de Nederlandsche Filmliga (1927-1932) vertoonde, maar verwerft ook films van belangrijke Europese en Hollywooregisseurs als Max Ophüls, D.W. Griffith en F.W. Murnau. Ook ziet hij het belang van het bewaren van nazistische propagandafilms als Jud Süβ (1940) en Der ewige Jude (1940).

Verzamelen en bewaren zijn de prioriteiten van De Vaal. Vertoning van de filmschatten vindt hij anders dan bijvoorbeeld Henri Langlois, zijn flamboyante cinefiele collega van de Cinémathèque in Parijs, minder belangrijk.

Stedelijk Museum

Zes jaar na de oprichting maakt De Vaal met het filmarchief een grote sprong voorwaarts. Willem Sandberg, de visionaire directeur van het Stedelijk Museum, vindt dat film als jongste kunstvorm in musea voor moderne kunst thuishoort. Hij biedt het Nederlands Historisch Film Archief huisvesting en vertoningsmogelijkheden aan in het Stedelijk Museum. Het Nederlands Historisch Film Archief heet voortaan Nederlands Filmmuseum en vertoont films in de aula van het Stedelijk Museum. De vertoningen, vaak themaprogramma’s zoals bijvoorbeeld Van Caligari tot Hitler, zijn een groot succes. Eind jaren vijftig trekken ze jaarlijks zo’n 10.000 bezoekers.

Jean Desmet.
Jean Desmet.

Ondertussen gaat De Vaal door met verzamelen. In 1957 verwerft hij het unieke archief van Jean Desmet, een filmexploitant van het eerste uur, die anders dan collega-exploitanten zijn films wél bewaarde. Met de Desmet-collectie bezit het Filmmuseum in één klap 900 films uit de periode 1907-1916. Daaronder veel unieke exemplaren, die nergens anders op de wereld zijn te vinden.

Dossier Desmet

De paar honderd films die het Filmmuseum bij de oprichting in 1946 bezat, zijn in 1961 uitgegroeid tot een collectie van 30.000 (!) lange en korte films. Ook de boeken- en affichecollectie is in die jaren enorm gegroeid. De filmcollectie, die veel licht ontvlambare nitraatfilms bevat, wordt niet in het Stedelijk Museum bewaard, maar in (brandvrije) bunkers in onder meer Castricum en Overveen.

De nitraatbunker in Overveen
De nitraatbunker in Overveen. Bron: Beelden voor de Toekomst.

Vondelparkpaviljoen

Het Filmmuseum heeft meer ruimte nodig, maar die is er niet in het Stedelijk Museum. De behoefte aan een eigen locatie is groot, maar de rijksoverheid en de gemeente Amsterdam maken zich er niet erg druk om. De Vaal beukt jarenlang op dichte deuren, maar in 1972 komt het er eindelijk van en verhuist het Filmmuseum naar het Vondelparkpaviljoen. Naast kantoorruimte wordt er in de prachtige villa een filmzaal en een bibliotheek gebouwd. Ook wordt de grote collectie filmaffiches in het pand opgeslagen. Maar al snel is ook hier nijpend ruimtegebrek. En er zijn meer problemen. Zo ontbreekt het aan financiële middelen om de filmcollectie te conserveren. De Vaal pleit bij de diverse overheden voor meer financiële steun, maar krijgt die niet.

Het Nederlands Filmmuseum in het Vondelpark
Het Nederlands Filmmuseum in het Vondelpark.

Met hooguit drie filmvertoningen per week is het nogal stil in het Filmmuseum. Dat leidt tot stevige kritiek. De buitenwereld ervaart het Filmmuseum als een gesloten bastion. Een ministerieel onderzoek concludeert in 1986 dat de ramen open moeten in het Filmmuseum. De filmrijkdom moet niet alleen worden bewaard, maar ook worden uitgedragen. De Vaal neemt na bijna veertig jaar afscheid van het Filmmuseum. Hij laat een geweldige erfenis aan films, affiches, boeken en foto’s achter. Hoe uniek de collectie is, wordt in de jaren erna pas goed duidelijk als er wel financiële middelen komen voor inventarisatie en conservering.

Gouden jaren

Na het vertrek van De Vaal wordt adjunct directeur Frans Maks tot tussenpaus benoemd. Na een jaar wordt hij opgevolgd door Hoos Blotkamp, die als voormalig topambtenaar de politieke wereld van haver tot gort kent. Ook is ze als oud-conservator van het Centraal Museum Utrecht uitstekend op de hoogte van het reilen en zeilen in de culturele wereld. Met Blotkamp als directeur en schrijver en filmmaker Eric de Kuyper als adjunct-directeur breekt een opwindende periode aan. Blotkamp haalt omvangrijke subsidies binnen voor filmconservering en –restauratie, De Kuyper presenteert de filmschatten in prikkelende programma’s. Veel ervan gaan over de stille film en trekken internationale aandacht, omdat ze met een verrassende blik naar de filmgeschiedenis kijken.

Peter Delpeut en Ruud Visschedijk gaan na 1993 als opvolgers van De Kuyper op de verfrissende ingeslagen weg verder. Delpeut presenteert onder de titel Bits & Pieces programma’s van onbekende filmfragmenten, waarvan er duizenden zijn te vinden in de collectie van het Filmmuseum. De ‘verweesde snippers’ intrigeren en stimuleren de verbeelding van de kijker. Dat doen ook Delpeuts found footage-films Lyrisch Nitraat (1991) en The Forbidden Quest (1993). De creatieve en vindingrijke omgang met het filmverleden bezorgt het Filmmuseum veel internationaal prestige en een reputatie van voorloper.

In deze periode start de eerste grote digitaliseringsoperatie: tussen 1997 en 1999 worden duizenden films gescand en van identificerende data en trefwoorden voorzien. Het is de opmaat voor het grootschalige project Beelden voor de Toekomst, dat vier grote audiovisuele instellingen, waaronder het Filmmuseum, in staat stelt om tussen 2007 en 2014 hun collecties te digitaliseren en conserveren.

Het zijn gouden jaren voor het Filmmuseum, maar één probleem wordt niet opgelost: de huisvesting. Een grondige verbouwing in 1990-1991 van het Vondelparkpaviljoen – er kwam een tweede filmzaal met het schitterende art deco-interieur van Jean Desmets legendarische bioscoop Cinema Parisien - bood onvoldoende soelaas.

Stedenstrijd

Huisvestingsperikelen zijn de dramatische rode draad in de geschiedenis van het Filmmuseum. Zoals De Vaal zich opgesloten voelde in het Stedelijk Museum, zo benauwd heeft Blotkamp het in het Vondelparkpaviljoen. Omdat het pand te klein is om de ruim honderd (parttime)medewerkers te huisvesten, worden er telkens kantoortjes bij gehuurd. Met de opslagdepots voor films meegerekend zit het Filmmuseum verspreid over dertien locaties. De jarenlange noodkreten aan het Amsterdamse stadsbestuur hebben weinig effect. In 1998 neemt Blotkamp, het stedelijke getreuzel zat, een drastisch besluit. Zij gaat in op het aanbod van de gemeente Rotterdam om het Filmmuseum te huisvesten in een groot leegstaand pakhuis op het oude havenschiereilandje Kop van Zuid. De verhuizing lost volgens Blotkamp alle ruimteperikelen op, maar de directeur voert ook inhoudelijke argumenten aan. Dat het Filmmuseum in Rotterdam met onder andere het Nederlands Fotomuseum zal fuseren tot één groot ‘beeldinstituut’, past in Blotkamps visie bij de moderne inzichten over de relatie tussen film en andere beelduitingen. Het Vondelparkpaviljoen zal als de verhuizing doorgaat alleen nog functioneren als filmvertoningslocatie.

Nieuwbouw

Het wakker geschrokken Amsterdamse stadsbestuur ziet niets in Blotkamps plan en stelt plotseling alles in het werk om het Filmmuseum voor de stad te behouden. In de politieke stedenstrijd sneuvelt Blotkamp in 2000 als directeur. Aan opvolger Rien Hagen, documentairemaker en ex-directeur van Filmhuis Den Haag, de taak om met Rieks Hadders als adjunct-directeur in Amsterdam nieuwe huisvesting te vinden. Het stadsbestuur schaart zich achter hun plan om een nieuw Filmmuseum te bouwen aan de overkant van het IJ, recht tegenover het Centraal Station.

Het Zwitserse architectenbureau Delugan-Meissl ontwerpt een spectaculair futuristisch gebouw, dat aan space ships in sciencefiction films doet denken.

Droneshot van Eye Filmmuseum en het IJ
© Iwan Baan

Spectaculaire architectuur

Rien Hagen wil geen bouwmeester zijn en vertrekt in 2007 als met de voorbereiding van de bouw van het nieuwe Filmmuseum, dat Eye Filmmuseum zal gaan heten, wordt begonnen. Zijn opvolger is Sandra den Hamer, ex-directeur van International Film Festival Rotterdam (IFFR). In het najaar van 2009 gaat de eerste paal voor de nieuwbouw de grond in. Twee jaar later wordt Jaap Guldemond, eerder curator in het Van Abbemuseum en Museum Boymans van Beuningen, benoemd tot Director of Exhibitions. Hij kondigt aan dat hem geen traditionele filmexposities voor ogen staat, maar tentoonstellingen over het medium film. Exposities die uitnodigen om na te denken over de mogelijkheden van het medium.

In het voorjaar van 2012, tweeënhalf jaar na het slaan van de eerste paal, opent koningin Beatrix de nieuwbouw. De spectaculaire architectuur trekt wereldwijd de aandacht. De museale vakwereld bewondert de conceptuele benadering, die inspeelt op de relatie tussen architectuur, locatie en film. Cinematografische aspecten als licht, kadrering en tijdsverloop zijn in het ontwerp verdisconteerd, evenals de reflectie van het licht op het water van het IJ.

© Martin Foddanu
© Martin Foddanu

Ambities

De schaalvergroting die het Filmmuseum doormaakt met de sprong van het Vondelparkpaviljoen naar de overkant van het IJ is immens. Van twee zaaltjes met elk 80 stoelen en jaarlijks ongeveer 50.000 bezoekers in het Vondelparkpaviljoen naar vier zalen met samen 620 stoelen. Plus een expositieruimte van 1200 vierkante meter, een bar-restaurant, kantoren, vergaderruimten en een museumwinkel. Sceptici die menen dat de ambities van Eye Filmmuseum te hoog gegrepen zijn in een land dat niet bekend staat om zijn filmpassie krijgen ongelijk. Het museum is meteen een succes. Het gehoopte aantal van 230.000 bezoekers in het eerste jaar wordt al na elf maanden met 100.000 bezoekers overschreden. In de jaren erna stijgt dat naar 700.000, waarvan driekwart expositie- en filmbezoekers.

De collectie omvat inmiddels 50.000 films, 90.000 affiches, 750.000 foto’s en ander beeldmateriaal, 32.000 filmboeken en -tijdschriften en 220 papieren archieven van professionals uit de filmwereld, onder wie de filmmakers Frans Zwartjes, Frans Weisz en Pim de la Parra.

Eye Collectiecentrum

Het klinkt raar, maar zelfs na de verhuizing naar het prachtige pand aan het IJ zijn de ruimteproblemen van het museum nog niet opgelost. Nauwkeuriger gezegd: de problemen rond het opslaan van de collecties zijn er nog. De bouw van een opslagdepot moet het ideaal realiseren van het op één plek bewaren van alle films, affiches, foto’s en papieren archieven. In 2016 is het zover en wordt in Amsterdam-Noord in de buurt van het museum het Eye Collectiecentrum geopend. Alleen de nitraatfilms (12.000 titels uit de periode 1895-1950) liggen om hun brandbaarheid nog in afgelegen (film)bunkers.

Eye Collection Centre exterior
© Luuk Kramer
Inside the Eye Collection Centre
Paul van Riel

Wijdvertakte stam

Eye Filmmuseum is veel meer dan een museum dat zich uitsluitend met de filmgeschiedenis bezighoudt. Directeur Sandra den Hamer omschrijft het als ‘een museum voor film en de kunst van het bewegende beeld’. In de praktijk betekent het dat het zich ook richt op nieuwe ontwikkelingen in de beeldcultuur. Een kleine greep uit de vele activiteiten. Naast arthousepremières zijn er (historische) themaprogramma en retrospectieven, maar is er ook aandacht voor experimentele films (Eye on Art), de relatie tussen film en geluid (Eye on Sound) en voor nieuwe ontwikkelingen als Virtual Reality (Xtended). Aandacht voor restauraties is er met de series Restored & Unseen en Eye Classics. De stand van zaken in het academische onderzoek komt aan bod in de jaarlijkse Eye International Conference en de collegereeks This is Film! Film Heritage in Practice. En natuurlijk zijn er de exposities, die altijd vergezeld gaan van een filmprogramma, lezingen en bijzondere optredens.

De nieuwste loot aan de wijdvertakte stam is sinds eind 2020 Eye Film Player, een streamingdienst met speelfilms, documentaires en korte films uit de rijke collectie. Een deel van het aanbod is gratis te zien. Maandelijks zijn er nieuwe compilaties van fragmenten uit de collectie stille films. De beelden komen onder andere uit vroege kleurenfilms, historische reisfilms en films uit de Desmet-collectie.

Eye Film Player

Toekomst

Doordat Eye Filmmuseum de blik niet alleen op het filmverleden richt, onderscheidt het zich van veel andere filmmusea in de wereld. De uiteenlopende programmering weerspiegelt de opdracht die Den Hamer - sinds 2015 met de adjunct-directeuren Stan Spijkerman en Ido Abram - het museum stelt: film tonen in al zijn facetten, van de begindagen tot de meest actuele ontwikkelingen. Van klassiekers en cultfilms tot nieuwe digitale experimenten, en van het laten zien van filmapparaten tot innovatieve tentoonstellingen, waarin filmmakers en kunstenaars de cinema vatten in ruimtelijke, driedimensionale installaties.

Die benadering wordt zowel door de professionele film- en kunstwereld als door het publiek gewaardeerd. Het publiek toont het door massaal het museum te bezoeken, de film- en kunstwereld met lovende artikelen en prijzen. Twee voorbeelden. De BankGiro Loterij Museumprijs prijst Eye Filmmuseum om de ‘voorbeeldstellende manier’ waarop het de collectie naar de bezoeker brengt: “Eye weet de complexiteit van het beheren van een audiovisuele collectie en alles wat daarbij komt kijken, zoals restauraties en rechtenbeheer, bijzonder goed aan het publiek over te brengen.”

De Association Internationale des Critiques d’Art Nederland (AICA), de vereniging van kunstcritici, bekroonde in 2019 Eye Filmmuseum voor de bijzondere tentoonstellingen op het grensvlak van film en beeldende kunst. De jury was vol lof over de expositie-opvattingen van het museum: “Zowel aan jong talent als aan grote namen uit de wereld van film en beeldende kunst wordt aandacht besteed en het museum trekt continu een breed publiek.”

Eye Filmuseum doet iets goed.