Omwegen, zijdeuren en achterpaadjes
Om te begrijpen hoe uitzonderlijk die zestien vrouwen waren, moet je weten hoe de toegang tot het vak was geregeld. UCLA en de University of Southern California (USC) waren in de jaren zeventig de belangrijkste springplanken naar Hollywood, en die lieten voornamelijk mannen toe. Pas aan het einde van de jaren zestig en in de vroege jaren zeventig begon het aandeel vrouwen en studenten van kleur op filmopleidingen voorzichtig te groeien, mede door campus-breed activisme en druk vanuit sociale rechtvaardigheidsbewegingen. Maar zelfs wie wél toegelaten werd, botste zodra ze de professionele wereld betrad op een systeem dat haar niet verwachtte, laat staan op haar was ingericht.
In 1972 richtten pionieren van de tweede feministische golf de Writers Guild Women's Committee op, specifiek om genderdiscriminatie in de industrie aan te kaarten. Maar hun bijeenkomsten met studiodirecteuren leverden niets op. Hollywood opereerde vanuit de openlijk uitgesproken overtuiging dat vrouwen fysiek niet geschikt waren om een filmset te leiden. Dat was geen impliciete vooringenomenheid, maar keihard beleid.
Die dubbele blokkade (geen opleiding, geen toegang) verklaart waarom de meesten van de zestien vrouwen die het toch lukte, via een omweg binnenkwamen: velen begonnen als actrice, zoals Lee Grant, Anne Bancroft en Elaine May. Ze kenden de camera, ze kenden de set en ze kenden de codes, maar toch werden ze niet serieus genomen en moesten ze zich een weg naar de regisseursstoel vechten.
Filmhistoricus Maya Montañez Smukler tekende hun verhalen en de context waarin ze opereerden op in haar boek Liberating Hollywood: Women Directors and the Feminist Reform of 1970s American Cinema, waaraan het programma in Eye de naam ontleent. Het boek bracht voor het eerst (in 2018!) systematisch in kaart wat er in dat decennium op het spel stond en wat er verloren ging.